Eiser maakte bezwaar tegen de definitieve vaststelling van de huurtoeslag over 2020 en de terugvordering van €3.654,-, omdat hij in december 2019 een erfenis ontving die zijn vermogen op de peildatum 1 januari 2020 deed overschrijden. De Belastingdienst/Toeslagen stelde het voorschot huurtoeslag vast op basis van het inkomen en vermogen uit de Basisregistratie inkomen (BRI).
De rechtbank overwoog dat het recht op huurtoeslag afhankelijk is van het inkomen en vermogen van de belanghebbende, waarbij het voordeel uit sparen en beleggen volgens de Wet IB 2001 bepalend is. Omdat het vermogen van eiser hoger was dan het heffingsvrije vermogen, had hij geen recht op huurtoeslag. De hardheidsclausule, bedoeld voor onbillijkheden van overwegende aard, is niet van toepassing op erfenissen volgens de Uitvoeringsregeling Awir.
Eiser voerde aan dat de terugvordering hem in financiële problemen bracht en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden. De rechtbank stelde dat financiële problemen geen bijzondere omstandigheden vormen die matiging rechtvaardigen en dat een persoonlijke betalingsregeling mogelijk is. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.