Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in een land buiten de EU, EER, Zwitserland en BES-eilanden, maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2018 waarbij hem heffingskortingen en aftrek van specifieke zorgkosten werden geweigerd. De inspecteur beriep zich op artikel 7.8, zesde lid, Wet IB 2001, dat bepaalt dat alleen kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit genoemde landen recht hebben op deze fiscale voordelen.
Belanghebbende stelde dat deze regeling discriminerend is en in strijd met het IVBPR en EVRM, omdat inwoners van andere landen, waaronder zijn woonland, worden uitgesloten. De rechtbank oordeelde dat de wetgever ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het maken van dergelijke fiscale afbakeningen en dat het verschil in behandeling objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd door het ontbreken van verdragsrechten en bijzondere status voor het woonland van belanghebbende.
De rechtbank wees ook het beroep af dat de wetswijziging per 1 januari 2015 onbillijk zou zijn, omdat zij niet bevoegd is de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de weigering van heffingskorting en aftrek specifieke zorgkosten wordt ongegrond verklaard.