Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
Letselaspecten
- het verlies uit werk en woning vastgesteld op € 19.326,
- het ondernemingsverlies vastgesteld op € 9.492.
- de niet in aanmerking genomen zelfstandigenaftrek, als bedoeld in artikel 3.76, zesde lid, van de Wet IB 2001, vastgesteld op € 7.280,
- de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek, als bedoeld in artikel 6.2a van de Wet IB 2001, vastgesteld op € 812, en
- het verlies uit werk en woning vastgesteld op € 19.942,
- het ondernemingsverlies vastgesteld op € 30.813,
- de niet in aanmerking genomen zelfstandigenaftrek, als bedoeld in artikel 3.76, zesde lid, van de Wet IB 2001, vastgesteld op € 7.280.
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de beschikkingen waarbij het voor het jaar 2014 vastgestelde verlies uit werk en woning, het ondernemingsverlies, de niet in aanmerking genomen zelfstandigenaftrek en de nog in aanmerking te nemen persoonsgebonden aftrek zijn herzien,
- vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015 en de beschikkingen waarbij het verlies uit werk en woning en het ondernemingsverlies zijn herzien,
- vernietigt de bijbehorende belastingrentebeschikkingen;
- vernietigt de navorderingsaanslagen Zvw over de jaren 2014 en 2015, alsmede de bijbehorende belastingrentebeschikkingen;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.315;
- gelast dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende vergoedt.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;