Belanghebbende, een fysiotherapiepraktijkhouder, maakte bezwaar tegen de beschikking van de inspecteur inzake de teruggaaf van omzetbelasting over 2018. De discussie betrof de juiste methode voor het bepalen van de aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van een praktijkruimte die deels voor belaste en deels voor vrijgestelde prestaties wordt gebruikt.
Belanghebbende stelde dat de aftrek op basis van het werkelijke gebruik moest worden berekend, waarbij verschillende ruimten binnen het pand afzonderlijk werden beschouwd. De inspecteur betwistte dit en stelde dat de pro rata-methode op basis van omzetverhoudingen moest worden toegepast, mede omdat de ruimten niet fysiek gescheiden zijn en het werkelijke gebruik niet objectief en nauwkeurig kan worden vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat het werkelijke gebruik niet objectief en nauwkeurig kan worden vastgesteld vanwege het gemengde gebruik van ruimten en het ontbreken van fysieke afscheidingen. De door belanghebbende voorgestelde methode leidt niet tot een nauwkeurigere berekening dan de pro rata-methode. Daarom is het beroep ongegrond en blijft de door de inspecteur vastgestelde aftrek van voorbelasting van kracht.