Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Beoordeling door de rechtbank
3.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking 2020 waarin de woningwaarde was vastgesteld op €309.000. De heffingsambtenaar verklaarde dit bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting bereikten partijen overeenstemming over een aangepaste waarde van €298.000. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar. Tevens werd de aanslag onroerendezaakbelastingen en andere heffingen aangepast naar deze lagere waarde.
Belanghebbende vorderde een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling. De rechtbank stelde vast dat de termijn met circa zes maanden was overschreden en kende een immateriële schadevergoeding van €500 toe, die voor rekening van de Staat komt.
Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van belanghebbende, berekend conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De totale proceskostenvergoeding bedroeg €2.056.
De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep binnen zes weken bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot €298.000 en belanghebbende ontvangt een vergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.