ECLI:NL:RBZWB:2022:4914
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag vrijwillige WIA-verzekering wegens te late indiening
Eiser was werkzaam als auditor en viel in april 2010 uit wegens fysieke klachten. Na een Ziektewetuitkering kreeg hij in maart 2012 een WIA-uitkering toegekend. Deze uitkering werd in mei 2018 beëindigd omdat eiser in de jaren 2013-2015 meer dan 65% van zijn oude loon had verdiend. Eiser diende een aanvraag in voor vrijwillige verzekering op 25 januari 2021, ruim 16 maanden te laat na het einde van de verplichte verzekering.
Het UWV wees de aanvraag af omdat deze niet binnen de wettelijke termijn van dertien weken na het einde van de verplichte verzekering was ingediend. Eiser voerde aan dat hij niet wist van de termijn en dat de verzekeringsarts hem had toegezegd dat hij in aanmerking zou komen voor de vrijwillige verzekering. De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsarts slechts gewezen had op de mogelijkheid van vrijwillige verzekering, maar geen toezegging had gedaan over toelating.
De rechtbank concludeerde dat eiser redelijkerwijs wel in verzuim was en dat het UWV de afwijzing op goede gronden handhaafde. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en proceskosten werden niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor vrijwillige WIA-verzekering wordt ongegrond verklaard wegens te late indiening.