Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds, verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2003/2004 tot en met 2010/2011 en 2012/2013 tot en met 2014/2015. De inspecteur wees deze verzoeken af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde dat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) en dat de berekeningswijze van de Hoge Raad in strijd is met het Unierecht.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de verzoeken terecht heeft afgewezen. Het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 is niet in strijd met het Unierecht en rechtsherstel kan alleen plaatsvinden met inachtneming van een vervangende betaling, waartoe belanghebbende niet bereid is. Daarnaast voldoet belanghebbende niet aan de aandeelhouderseisen en dooruitdelingseis die gelden voor een fbi.
De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie en concludeert dat geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting of rente. De beroepen worden ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.