ECLI:NL:RBZWB:2022:4133
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €193.000 per 1 januari 2019, en tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting 2020. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en aanslag, onderbouwd met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten. De rechtbank oordeelt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede gelet op de vergelijkbaarheid van de gebruikte objecten en de onderbouwing dat de gedateerdheid van de woning weinig invloed had op de waarde.
Daarnaast vordert belanghebbende immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met circa vijf maanden is overschreden en kent een schadevergoeding van €500 toe, waarvan €100 voor rekening van de heffingsambtenaar en €400 voor de Minister van Justitie en Veiligheid.
De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar en de Minister gezamenlijk tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, waarbij ieder de helft draagt. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de vergoeding van immateriële schade en proceskosten leidt tot een gedeeltelijke toewijzing van het beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.