ECLI:NL:RBZWB:2022:4131
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op € 225.000 per 1 januari 2018. De rechtbank beoordeelde of deze waarde te hoog was vastgesteld, of het vertrouwensbeginsel was geschonden en of belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar met een taxatieverslag en vergelijkingsobjecten aannemelijk had gemaakt dat de waarde van de woning correct was vastgesteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen sprake was van een bewuste standpuntbepaling of toezegging door de heffingsambtenaar.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep met ongeveer 16 maanden was overschreden. Belanghebbende kreeg daarom een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend, waarvan € 187,50 voor rekening van de heffingsambtenaar en € 1.312,50 voor rekening van de Minister van Justitie en Veiligheid. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.