ECLI:NL:RBZWB:2022:3669
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen ambtshalve aanslag inkomstenbelasting en verzuimboete 2018
Belanghebbende, een belastingadviseur en aandeelhouder van een BV, diende de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018 niet tijdig in, waarop de inspecteur ambtshalve een aanslag oplegde op basis van een redelijke schatting van het inkomen.
De rechtbank beoordeelde of deze aanslag en de opgelegde verzuimboete terecht waren. Gelet op het niet indienen van de aangifte vóór de aanslag, werd de bewijslast omgekeerd en verzwaard, waardoor belanghebbende overtuigend moest aantonen dat de aanslag onjuist was.
De inspecteur baseerde de aanslag op een geschat bruto inkomen van € 20.000 en een stijging van banktegoeden van circa € 20.000, hetgeen de rechtbank redelijk achtte. Belanghebbende bracht tegenbewijs aan met overzichten en stellingen over persoonlijke omstandigheden en betalingen door zijn vader, maar deze waren onvoldoende onderbouwd.
De verzuimboete van € 369 werd eveneens terecht opgelegd, aangezien belanghebbende geen omstandigheden aannemelijk maakte die een boete zouden uitsluiten. De belastingrente werd gehandhaafd omdat belanghebbende hiertegen geen zelfstandige gronden aanvoerde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de aanslag, verzuimboete en belastingrente in stand blijven.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard; de aanslag, verzuimboete en belastingrente blijven in stand.