Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, actief in bewindvoering en wettelijke schuldsanering, maakte bezwaar tegen de door haar betaalde omzetbelasting over september 2018. Zij stelde dat een deel van haar werkzaamheden vrijgesteld is van OB op grond van artikel 11 lid 1 onderdeel Pro f Wet OB 1968 en post b.33 van bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB, omdat deze betrekking zouden hebben op schuldhulpverlening.
De rechtbank overwoog dat de vrijstelling niet geldt voor bewindvoering in het kader van wettelijke schuldregeling en dat belanghebbende de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat haar diensten onder de vrijstelling vallen. Hoewel belanghebbende algemene informatie over haar werkzaamheden aanleverde, bleek niet welke specifieke diensten zij in september 2018 heeft verricht en voor welke cliënten.
De aangeleverde dossiers betroffen bovendien perioden na september 2018, waardoor zij niet relevant waren voor de beoordeling. De rechtbank concludeerde dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar werkzaamheden in de betreffende periode vrijgesteld zijn van OB en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de weigering van omzetbelastingvrijstelling wordt ongegrond verklaard.