Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2021 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
de korpschef van politie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De korpschef heeft op 8 oktober 2019 de toestemming voor eiser om beveiligingswerkzaamheden te verrichten ingetrokken naar aanleiding van een incident waarbij eiser iemand in de privésfeer heeft mishandeld. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze intrekking, maar dit bezwaar is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld en beoordeeld of de korpschef bevoegd was de toestemming in te trekken.
De rechtbank overweegt dat de korpschef beoordelingsruimte heeft bij het bepalen van de betrouwbaarheid van een beveiligingsmedewerker. Het mishandelingsincident, waarbij eiser een vuistslag gaf, vormt een ernstige aantasting van de rechtsorde en rechtvaardigt de intrekking van de toestemming. Het feit dat het incident in de privésfeer plaatsvond en dat de zaak door de Officier van Justitie is geseponeerd, doet hieraan niet af.
Verder heeft de rechtbank een belangenafweging gemaakt tussen het belang van eiser om te kunnen werken en het belang van de korpschef om een betrouwbare beveiligingssector te waarborgen. De rechtbank acht het belang van de korpschef zwaarder en concludeert dat de intrekking in redelijkheid heeft plaatsgevonden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn toestemming voor beveiligingswerk wordt ongegrond verklaard.