ECLI:NL:RVS:2013:1640
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en onthouding toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens twijfel aan betrouwbaarheid
De korpschef heeft op 10 januari 2012 de toestemming voor appellant om beveiligingswerkzaamheden te verrichten ingetrokken en de aanvraag voor nieuwe toestemming geweigerd. Dit gebeurde op grond van feiten waaronder een strafbeschikking van € 650,- voor mishandeling. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze besluiten, maar zowel de rechtbank Rotterdam als de Raad van State verklaarden het beroep ongegrond.
De kern van het geschil betrof de vraag of appellant voldoende betrouwbaar was om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. De rechtbank stelde vast dat slechts de strafbeschikking voor mishandeling (feit 3) relevant was, omdat de andere feiten niet als ernstige aantasting van de rechtsorde konden worden aangemerkt of onvoldoende waren onderbouwd.
Appellant voerde aan dat de aangifte vals was, getuigenverklaringen onbetrouwbaar en dat het incident een corrigerende handeling betrof zonder letsel. Ook stelde hij dat hij in vijftien jaar nooit klachten had gehad en dat het besluit disproportioneel was vanwege financiële gevolgen.
De Raad van State oordeelde dat de korpschef beoordelingsvrijheid heeft en hogere eisen mag stellen aan beveiligingsmedewerkers. De strafbeschikking vormde een redelijke grond voor twijfel aan betrouwbaarheid en integriteit. De door appellant overgelegde verklaringen waren niet bij de korpschef bekend en konden in de strafprocedure worden meegewogen. De intrekking en onthouding van toestemming waren daarom rechtmatig en proportioneel.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking en onthouding van toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wegens twijfel aan de betrouwbaarheid van appellant.