Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
BRE 20/6197);
BRE 21/881).
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in België, betwistte de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2016 en 2017. Voor 2016 was het belastbaar inkomen nihil en werd de heffingskorting aanvankelijk niet toegekend, maar na bezwaar alsnog uitbetaald. Voor 2017 ontving belanghebbende een pensioen dat volgens het belastingverdrag aan België toekomt, en werd een heffingskorting en belastingrente toegekend.
De rechtbank oordeelde dat de toepassing van artikelen 8.9 en 8.9a Wet IB 2001 correct was, waarbij de heffingskorting werd aangepast op basis van premieplicht en voorkoming van dubbele belasting. Het beroep dat deze regeling in strijd zou zijn met het belastingverdrag werd verworpen, mede gelet op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
Ten aanzien van de belastingrente oordeelde de rechtbank dat voor 2016 geen rente verschuldigd was vanwege vermindering van de aanslag na bezwaar, en dat voor 2017 de rente correct was berekend. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalde wegens gebrek aan bewijs van onzorgvuldig handelen.
Tot slot verklaarde de rechtbank zich onbevoegd voor zover belanghebbende een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking instelde, aangezien dit buiten het bestuursrechtelijke stelsel van rechtsbescherming valt. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen inkomstenbelasting 2016 en 2017 worden ongegrond verklaard en de rechtbank verklaart zich onbevoegd voor vorderingen wegens ongerechtvaardigde verrijking.