Belanghebbende, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, verrichtte in 2008 werkzaamheden in haar woonland en deed aangifte inkomstenbelasting in Nederland als binnenlandse belastingplichtige. Zij was niet premieplichtig voor de volksverzekeringen in Nederland. De Inspecteur handhaafde een aanslag, maar de Rechtbank te Breda verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag tot nihil. Het Hof bevestigde deze uitspraak.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. Het geschil betrof de vraag of belanghebbende premie volksverzekeringen was verschuldigd en de omvang van haar recht op heffingskortingen, met name de bijzondere verhoging van de heffingskorting voor niet-premieplichtigen volgens artikel 8.9a Wet IB 2001.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onjuist heeft geoordeeld door geen rekening te houden met de premie volksverzekeringen bij de berekening van de bijzondere verhoging van de heffingskorting. De Hoge Raad legt uit dat de bijzondere verhoging gelijk moet zijn aan het bedrag van de gecombineerde heffingskorting waarop een premieplichtige inwoner recht zou hebben, verminderd met het reeds toegekende belastingdeel, rekening houdend met de premie volksverzekeringen die in dat denkbeeldige geval verschuldigd zou zijn.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het beroep bij de Rechtbank ongegrond. Er worden geen proceskosten toegewezen.