Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende diende de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2016 te laat in, namelijk op 6 augustus 2017, terwijl de uiterste termijn 21 juli 2017 was. De inspecteur legde daarop een verzuimboete van € 369 op. Belanghebbende stelde dat hij uitstel had gevraagd, maar kon dit niet aannemelijk maken en ontving geen reactie van de inspecteur.
De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat uitstel was verleend en dat belanghebbende te laat was met de aangifte. De verzuimboete is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Er is geen sprake van afwezigheid van alle schuld (avas), omdat belanghebbende onvoldoende heeft aangetoond dat hij alle redelijke zorg heeft betracht om het verzuim te voorkomen.
De rechtbank vindt de boete passend, maar matigt deze ambtshalve met 15% vanwege een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, die ruim 37 maanden bedroeg tegen een termijn van twee jaar. De boete wordt daarom vastgesteld op € 313. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De verzuimboete wordt verminderd tot € 313 wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar het beroep wordt verder ongegrond verklaard.