ECLI:NL:RBZWB:2021:5189
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens onvoldoende bijstandsbehoefte en onduidelijkheid financiële situatie
Eiseres vroeg op 15 november 2019 een bijstandsuitkering aan, welke door het college van burgemeester en wethouders van Breda op 16 januari 2020 werd afgewezen wegens onvoldoende bijstandsbehoefte. Het bezwaar van eiseres werd op 24 april 2020 ongegrond verklaard. Eiseres stelde dat zij voldeed aan de voorwaarden en dat de afwijzing onvoldoende was onderbouwd. Zij gaf aan gezondheidsproblemen te hebben en hoge zorgkosten.
De rechtbank oordeelde dat eiseres bij haar ouders inwoont zonder kostgeld te betalen, haar vader de zorgpremie betaalt en zij zorgtoeslag ontvangt. Ook ontving zij studiefinanciering tot november 2019. De rechtbank vond dat het college terecht oordeelde dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bijstandsbehoevend is of dreigt te geraken.
Daarnaast gaf eiseres onvoldoende inzicht in de herkomst van diverse contante stortingen op haar bankrekening en de wijze waarop zij in haar noodzakelijke kosten voorzag. De storting van € 1.000,- werd niet als lening voor levensonderhoud aangemerkt, maar als vakantiegeld. De rechtbank concludeerde dat eiseres over voldoende middelen beschikte en de afwijzing terecht was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.