ECLI:NL:RBZWB:2021:5013

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 oktober 2021
Publicatiedatum
4 oktober 2021
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3403
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 2 Wet op de dividendbelasting 1965Art. 11a Wet op de dividendbelasting 1965Wet Overige fiscale maatregelen 2008
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken tot teruggaaf dividendbelasting op grond van fiscale beleggingsinstelling

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2006 tot en met 2011. Zij stelde zich op het standpunt dat zij, als vergelijkbaar met een fiscale beleggingsinstelling (fbi), recht heeft op teruggaaf op grond van het Unierecht.

De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Na verzoek om nadere motivering en uitstel heeft belanghebbende geen reactie gegeven op het verzoek om instemming met een vervangende betaling zoals bedoeld in een eerdere Hoge Raad-beslissing.

De rechtbank oordeelt dat voor verzoeken vanaf het boekjaar 2008 het regime van afdrachtvermindering geldt en daarvoor de voormalige teruggaafregeling voor fbi’s. De inspecteur heeft de verzoeken terecht afgewezen omdat belanghebbende niet instemde met de vervangende betaling en omdat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het ontbreken van tegemoetkoming voor buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen.

Daarom bestaat geen recht op teruggaaf of rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 15/3403
uitspraak van 4 oktober 2021
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende] en haar portfoliofondsen [1] , gevestigd te [plaats] (Verenigde Staten),
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
Zitting
Een zitting is met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Awb achterwege gebleven.

1.Motivering

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraak op bezwaar op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende periodes, waaraan de rechtbank het zaaknummer 15/3403 heeft toegekend:
  • het jaar 2006/2007;
  • het jaar 2007/2008;
  • het jaar 2008;
  • het jaar 2009;
  • het jaar 2010;
  • het jaar 2011.
Belanghebbende stelt – kort gezegd – met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi).
De zaken zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording door de Hoge Raad van prejudiciële vragen door deze rechtbank. Bij aangetekende brief van 26 mei 2021, welke volgens gegevens van PostNL is ontvangen op 27 mei 2021, heeft de rechtbank belanghebbende in de gelegenheid gesteld om het beroep binnen vier weken (nader) te motiveren. Daarbij is belanghebbende onder meer gevraagd om te melden of ingestemd wordt met het doen van een vervangende betaling als bedoeld in onderdeel 5.4 van de beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1674). Bij brief van 5 juli 2021 - welke volgens gegevens van PostNL is ontvangen op 6 juli 2021 - heeft de rechtbank, desgevraagd, vier weken uitstel verleend. De rechtbank heeft geen reactie ontvangen.
Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 [2] , is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering [3] van belang en is voor teruggaafverzoeken met betrekking tot eerdere perioden de voormalige teruggaafregeling voor fbi’s [4] relevant.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht de teruggaafverzoeken heeft afgewezen waarvoor de teruggaafregeling relevant is. Belanghebbende heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet kenbaar gemaakt in te stemmen met het doen van de hiervoor bedoelde vervangende betaling. Reeds daarom bestaat geen recht op teruggaaf. [5]
De rechtbank is van oordeel dat de teruggaafverzoeken waarvoor het regime van de afdrachtvermindering relevant is, terecht zijn afgewezen, reeds gelet op het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. [6]
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
Het beroep van belanghebbende is daarom ongegrond.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

2.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx , griffier, op 4 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.[fonds 1], [fonds 2], [fonds 3], [fonds 4], [fonds 5], [fonds 6].
2.Stb. 2007, 563.
3.Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.
4.Artikel 10, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, zoals dat lid luidde tot zijn vervallen bij de wet Overige fiscale maatregelen 2008.
5.ECLI:NL:HR:2020:1674, rov. 5.4.6.