Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Griffierecht en proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende had in de aangifte inkomstenbelasting 2016 dieetkosten als specifieke zorgkosten opgevoerd. De inspecteur vroeg om een door een arts of diëtist ondertekende dieetverklaring, waarop belanghebbende een dieetbevestiging 2015 overlegde, die later werd aangevuld met een begin- en einddatum in 2015. De inspecteur legde een aanslag op met een hoger belastbaar inkomen dan opgegeven, waarbij alleen werd afgeweken op de aftrek van dieetkosten.
Belanghebbende maakte bezwaar en overwoog in de beroepsprocedure een aanvullende dieetbevestiging 2016 te hebben ingediend, die volgens de inspecteur niet was ontvangen. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat de inspecteur deze bevestiging in de bezwaarfase kende, waardoor geen onrechtmatigheid kon worden vastgesteld. Wel werd het beroep gegrond verklaard omdat partijen een compromis bereikten over de aftrek van dieetkosten, de immateriële schadevergoeding en de proceskosten.
De rechtbank besloot de aanslag en belastingrente te verminderen tot het door belanghebbende opgegeven belastbaar inkomen, veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van € 1.000 immateriële schade, het betaalde griffierecht en een proceskostenvergoeding van € 1.496. De rechtbank wees ook toe dat de proceskostenvergoeding een wegingsfactor 1 kreeg vanwege het belang van de zaak en het bijwonen van de zitting.
Uitkomst: De rechtbank vermindert de aanslag tot het opgegeven belastbaar inkomen en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade, griffierecht en proceskosten.