Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende werd een verzuimboete van €369 opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018. Na bezwaar heeft de inspecteur de boete verminderd tot nihil zonder belanghebbende voorafgaand te horen. Belanghebbende stelde dat de hoorplicht was geschonden en dat hij recht had op een hogere kostenvergoeding dan de toegekende €261.
De rechtbank overweegt dat het verminderen van de boete tot nihil gelijkstaat aan vernietiging van de boete, waardoor de inspecteur volledig aan het bezwaar tegemoet is gekomen en het hoorgesprek achterwege mocht blijven. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de inspecteur conform artikel 7:15 Awb Pro op het verzoek om kostenvergoeding heeft beslist, waarbij de brief en e-mail de uitspraak op bezwaar completeren.
Ten aanzien van de hoogte van de kostenvergoeding volgt de rechtbank de inspecteur dat de boete is opgelegd op grond van een wettelijk voorschrift inzake belastingen, waardoor de waarde per punt van €261 van toepassing is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de verzuimboete wordt ongegrond verklaard en de kostenvergoeding van €261 wordt bevestigd.