Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 25 juni 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Beoordeling
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft het UWV verzocht om de WW-uitkering vanaf maart 2020 opnieuw te betalen, maar dan op zijn beheerrekening in plaats van de leefgeldrekening. Het UWV wees dit verzoek af omdat het verzoek nagenoeg gelijk was aan een eerder afgewezen aanvraag en er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.
De rechtbank overwoog dat het verzoek van 15 oktober 2020 kon worden beschouwd als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Eiser bracht geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren en verwees naar jurisprudentie die niet als nieuw feit kon worden aangemerkt. Het UWV had het verzoek dan ook terecht afgewezen zonder inhoudelijke behandeling.
De rechtbank vond dat het UWV het besluit zorgvuldig had voorbereid, eiser voldoende gelegenheid had geboden tot het indienen van aanvullende gronden en dat de motivering van het besluit deugdelijk was. Er was geen sprake van evident onredelijkheid. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en de herhaalde aanvraag tot betaling van de WW-uitkering op de beheerrekening wordt afgewezen.