ECLI:NL:RBZWB:2020:5798
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verhoging WAO-uitkering wegens niet onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt
Eiser ontvangt sinds 2007 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. In 2014 is eiser ziek geworden en hersteld verklaard per 29 augustus 2015, tegen welke hersteldverklaring hij bezwaar maakte maar geen beroep instelde. Vervolgens meldde eiser zich op 5 oktober 2015 opnieuw ziek en werd hij op 24 januari 2016 hersteld verklaard.
Eiser verzocht op 10 oktober 2019 om verhoging van zijn WAO-uitkering met ingang van 25 januari 2016. Het UWV wees dit af omdat eiser niet onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt was geweest, een vereiste voor verhoging van het dagloon en daarmee de uitkering. De rechtbank oordeelde dat de hersteldverklaring van 29 augustus 2015 in rechte vaststaat en dat de periode van arbeidsongeschiktheid niet aaneengesloten is.
De rechtbank stelde vast dat eiser de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen en dat het UWV het verzoek terecht heeft afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande op 20 november 2020.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot verhoging van de WAO-uitkering wordt afgewezen.