ECLI:NL:RBZWB:2020:4753
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking Nederlanderschap wegens gebruik onjuiste personalia niet onrechtmatig
Eiseres kreeg haar Nederlanderschap ingetrokken omdat zij bij de naturalisatie onjuiste personalia had gebruikt. De staatssecretaris verklaarde haar bezwaren tegen deze intrekking ongegrond. Eiseres voerde aan dat zij erop mocht vertrouwen dat haar nationaliteit niet zou worden ingetrokken, mede omdat zij op basis van haar aangepaste persoonsgegevens een nieuw paspoort en rijbewijs had ontvangen. De rechtbank oordeelde dat deze documenten door de gemeente en niet door de staatssecretaris waren afgegeven, waardoor geen rechtens te honoreren toezegging bestond.
De rechtbank stelde vast dat de staatssecretaris bevoegd was tot intrekking en dat de termijn van twaalf jaar na verkrijging van het Nederlanderschap niet was verstreken. De motivering van de staatssecretaris over het tijdsverloop tussen melding en intrekking was voldoende, mede omdat eiseres zelf lang had gewacht met het melden van haar correcte persoonsgegevens.
Verder oordeelde de rechtbank dat de staatssecretaris een deugdelijke evenredigheidstoets had uitgevoerd met betrekking tot het verlies van het EU-burgerschap. Het beroep werd ongegrond verklaard, de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van het Nederlanderschap wordt ongegrond verklaard.