Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
.
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, die in 2010 invalide raakte door een auto-ongeluk en een letselschade-uitkering ontving, maakte bezwaar tegen de box 3-heffing over zijn vermogen in 2017. Hij stelde dat het vermogen niet vrij besteedbaar is en dat de heffing leidt tot discriminatie en een individuele buitensporige last, omdat het vermogen bedoeld is voor levensonderhoud.
De rechtbank overwoog dat de letselschade-uitkering na uitbetaling onderdeel is geworden van het vermogen en derhalve belastbaar is in box 3. De herkomst van het vermogen doet niet af aan de heffing. Voor een individuele buitensporige last moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die de last zwaarder maken dan voor anderen.
Hoewel belanghebbende erkende dat de heffing op lange termijn nadelig is, hield hij rekening met toekomstige inkomsten uit werk. Zijn inkomen en vermogen samen maakten dat de heffing niet buitensporig is. Ook de stelling van discriminatie werd verworpen omdat vergelijkbare situaties bestaan bij anderen die afhankelijk zijn van vermogen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter A.E. Keulemans op 27 augustus 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de box 3-heffing op het letselschadevermogen wordt ongegrond verklaard.