Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende en zijn echtgenote zijn fiscaal partners en hebben elk een aangifte inkomstenbelasting 2016 ingediend. De inspecteur legde aanvankelijk een aanslag op conform de aangifte van belanghebbende. Later werd bij de echtgenote een steekproefcontrole uitgevoerd, waarbij onjuistheden in de persoonsgebonden aftrek werden geconstateerd.
Naar aanleiding van deze bevindingen legde de inspecteur een navorderingsaanslag op aan belanghebbende, waarbij de persoonsgebonden aftrek met € 1.500 werd verlaagd en het belastbaar inkomen werd verhoogd. Belanghebbende stelde dat de navordering onterecht was omdat er geen nieuw feit was en dat de motivering van de inspecteur onvoldoende was.
De rechtbank oordeelde dat de informatie uit de controle van de echtgenote een nieuw feit vormde in de zin van artikel 16 AWR Pro, omdat deze informatie voor de inspecteur niet bekend was en ook niet redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. De rechtbank verwierp het standpunt van belanghebbende dat de aanslag van de ene partner afhankelijk moest zijn van de afwikkeling van de aanslag van de andere partner.
De motiveringsplicht van de inspecteur werd als voldoende beoordeeld en het beroep werd ongegrond verklaard. De rechtbank kende geen proceskosten toe.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag wordt ongegrond verklaard.