In deze bestuursrechtelijke procedure heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. M.R.T. Pauwels, de rechter belast met de behandeling van een belastingzaak betreffende de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Verzoeker stelde dat de rechter de schijn van vooringenomenheid had gewekt doordat deze weigerde de zaak terug te verwijzen naar de inspecteur om verzoeker alsnog te horen in bezwaar.
De wrakingskamer overwoog dat een rechterlijke (tussen)beslissing op zichzelf geen grond voor wraking kan zijn, tenzij er objectief gerechtvaardigde aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid. Dit was niet het geval. De kamer stelde vast dat het verzoek het tweede wrakingsverzoek in deze zaak betrof en dat beide verzoeken gebaseerd waren op feiten die geen gegronde wrakingsgrond vormden.
Verder wees de wrakingskamer het verzoek af om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU te stellen, omdat dit verzoek te laat was ingediend. Tot slot bepaalde de kamer dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen vanwege misbruik van procesrecht door verzoeker.
De beslissing werd genomen door de wrakingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en is gepubliceerd op 21 juli 2020. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.