Uitspraak
1.De voorgeschiedenis
2.De stukken
3.De procesgang
4.Het advies van de reclassering
5.Het standpunt van de officier van justitie
6.Het standpunt van de verdediging
7.Het oordeel van de rechtbank
Hogbentegen het
Verenigd Koninkrijk. [4]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd van 730 dagen, die afloopt op 27 oktober 2019. De officier van justitie verzocht om verlenging van deze proeftijd vanwege de noodzaak van voortzetting van toezicht en behandeling.
De rechtbank hield een openbare zitting waarin de officier van justitie, betrokkene en zijn raadsman werden gehoord. De reclassering adviseerde de proeftijd te verlengen met minimaal één jaar. De verdediging voerde aan dat verlenging in strijd zou zijn met het legaliteitsbeginsel en artikel 7 EVRM Pro, omdat het de straf ongunstig zou wijzigen.
De rechtbank oordeelde dat verlenging van de proeftijd een kwestie is van strafexecutie en niet van strafoplegging, waardoor artikel 7 EVRM Pro niet van toepassing is. De verlenging verandert de aard of maximale duur van de straf niet, en is daarom niet in strijd met het legaliteitsbeginsel. De vordering tot verlenging van 60 dagen werd toegewezen onder de bestaande voorwaarden.
De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 25 oktober 2019 en bevatte tevens een schorsing van het onderzoek tot 19 november 2019 voor verdere behandeling.
Uitkomst: De rechtbank verlengt de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 60 dagen en oordeelt dat dit niet in strijd is met het legaliteitsbeginsel en artikel 7 EVRM.