Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit meerdere besloten vennootschappen, heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting ontvangen over 2013, inclusief vergrijpboetes en belastingrente. De kern van het geschil betreft de rechtmatigheid van de opgelegde vergrijpboetes op grond van artikel 67f en artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de in rekening gebrachte belastingrente.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende grove schuld kan worden toegerekend wegens het niet tijdig betalen van de omzetbelasting en het niet uit eigen beweging melden van onjuistheden. Dit blijkt uit de late suppletie-aangifte en het feit dat voorbelasting van een dochtervennootschap dubbel in aftrek is gebracht. De rechtbank verwerpt het beroep op afwezigheid van alle schuld (avas) omdat belanghebbende onvoldoende zorg heeft betracht bij de samenwerking met haar accountant.
De rechtbank oordeelt dat de boetes passend en geboden zijn, mede na matiging door de inspecteur. Ook de berekening van belastingrente is volgens de wettelijke regels correct en niet in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de opgelegde vergrijpboetes en belastingrente blijven gehandhaafd.