Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een stichting die zich richt op het informeren en begeleiden van jongeren in psychische nood, voerde verschillende activiteiten uit, waaronder paramedische behandelingen en niet-economische activiteiten zoals een inloophuiskamer en groepssessies. De inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op over de periode 2012-2015, waarbij de aftrek van voorbelasting deels werd geweigerd vanwege niet-economische activiteiten.
De rechtbank oordeelde dat de activiteiten van belanghebbende uit zowel economische als niet-economische activiteiten bestonden. De inloophuiskamer en groepssessies waren zelfstandige, niet-economische activiteiten waarvoor geen vergoeding werd gevraagd, waardoor alleen een gedeeltelijke aftrek van voorbelasting op basis van een pre-pro-rata methode mogelijk was. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de pre-pro-rata op werkelijke gebruik moest worden gebaseerd.
Verder werd geoordeeld dat belanghebbende niet de afnemer was van de huurprestatie van het pand, omdat de facturen aan een onderneming van de oprichter waren gericht. Hierdoor kon de omzetbelasting op huurkosten niet in aftrek worden gebracht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting wordt ongegrond verklaard.