ECLI:NL:RBZWB:2018:2908
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering persoonsgebonden budget wegens onvoldoende verantwoording zorg
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het Zorgkantoor om zijn persoonsgebonden budget (pgb) over 2014 op nihil vast te stellen en een bedrag van €12.266,62 terug te vorderen. Het Zorgkantoor stelde dat eiser niet voldeed aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa), omdat onvoldoende duidelijk was welke zorg concreet was geleverd en of deze zorg daadwerkelijk was betaald.
De rechtbank oordeelde dat eiser en zijn zorgverlener onvoldoende inzicht hadden gegeven in de aard en omvang van de geleverde begeleiding, die volgens de AWBZ gericht moet zijn op bevordering van zelfredzaamheid. Activiteiten zoals boetseren en muziek werden als vrijetijdsbesteding aangemerkt en niet als AWBZ-zorg. Daarnaast ontbraken bankafschriften en waren er inconsistenties in facturen en urenlijsten, waardoor niet kon worden vastgesteld of en hoeveel zorg daadwerkelijk was betaald.
Hoewel eiser onder bewind stond en het Zorgkantoor op de hoogte was van zijn psychische gesteldheid, bleef de verantwoordelijkheid voor verantwoording bij de budgethouder. Het Zorgkantoor had in redelijkheid het pgb op nihil mogen vaststellen en het teveel betaalde bedrag terugvorderen. De rechtbank verwierp ook het beroep op een zorgplicht van het Zorgkantoor en het verzoek om het vrij te besteden bedrag in mindering te brengen op de terugvordering.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt het belang van een volledige en deugdelijke verantwoording bij het gebruik van een pgb en de bevoegdheid van het Zorgkantoor om bij gebreken het budget op nihil vast te stellen en terug te vorderen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het pgb wordt terecht op nihil vastgesteld met terugvordering van het teveel betaalde bedrag.