Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een onderneming actief in de verhuur van bedrijfsgebouwen, heeft een perceel grond geleverd aan een gelieerde vennootschap waarbij omzetbelasting verschuldigd was. Deze omzetbelasting werd aanvankelijk niet voldaan in de aangifte over maart 2016. Na constatering diende belanghebbende een suppletie in, waarna de inspecteur een naheffingsaanslag en een verzuimboete oplegde.
De kern van het geschil betrof de hoogte van de verzuimboete en de vraag of het verdedigingsbeginsel was geschonden doordat de boete niet vooraf was aangekondigd. De rechtbank overwoog dat, zelfs indien het verdedigingsbeginsel van toepassing zou zijn en geschonden zou zijn, dit niet tot vernietiging van de boete leidt omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit zonder deze schending anders zou zijn uitgevallen.
De rechtbank stelde verder vast dat de boete conform de wettelijke bepalingen was opgelegd en dat factoren zoals schuld of opzet niet relevant zijn voor de boetetoepassing. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden, waaronder een onberispelijk fiscaal verleden en het feit dat de Belastingdienst geen nadeel had geleden, vormden geen reden tot matiging. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de verzuimboete omzetbelasting wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.