Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 12 januari 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Breda (SVB), verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- in de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 september 2007 was eiser onderworpen aan de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving;
- in de periode van 27 september 2007 tot en met 31 maart 2012 is de sociale verzekeringswetgeving van Luxemburg op hem van toepassing verklaard;
- een verzoek tot regularisatie door de SVB en de Luxemburgse sociale verzekeringsautoriteiten wordt maar één keer ter beoordeling in behandeling genomen. Dit betekent dat een eventueel verzoek voor de periode na 31 december 2011 niet in behandeling wordt genomen;
- de Belastingdienst heeft eiser op 12 maart 2012 geïnformeerd dat op hem de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing is. Met ingang van deze datum kan verwijt worden gemaakt dat ten onrechte geen premies voor de sociale verzekeringswetgeving in Nederland werden afgedragen. Vanaf 1 april 2012 kan de SVB daarom niet overgaan tot regularisatie.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op het regularisatieverzoek over de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 september 2007;
- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 500,-;
- draagt de SVB op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de SVB in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.