Uitspraak
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
4.De beslissing
woensdag 27 september 2017 te 09.00 uur, voor het nemen van een akte na tussenvonnis door [eiser] zoals bedoeld in overweging sub 3.16;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser, een verpleegkundige in dienst sinds 1993, vordert betaling van achterstallige onregelmatigheidstoeslag (ORT) over vakantiedagen van 2010 tot 2015, vermeerderd met wettelijke rente en een wettelijke verhoging. Gedaagde betwist tijdigheid van klacht, rechtsgeldigheid van vordering en hoogte van het bedrag.
De kantonrechter stelt vast dat de klachtplicht ex artikel 6:89 BW Pro niet van toepassing is op loonvorderingen en dat de ORT intrinsiek samenhangt met de functie, waardoor deze onder het ruime loonbegrip van artikel 7:639 BW Pro valt en tijdens vakantie doorbetaald moet worden. De CAO-bepaling die de ORT uitsluit is nietig wegens strijd met dwingend recht.
Hoewel gedaagde een beroep doet op redelijkheid en billijkheid vanwege financiële gevolgen, slaagt dit verweer niet. De kantonrechter wijst de vordering toe, maar acht een deel verjaard en onvoldoende onderbouwd, waardoor eiser wordt toegestaan de vordering opnieuw te berekenen voor de periode 1 september 2010 tot 31 december 2014. De wettelijke verhoging wordt op nihil gesteld. De zaak wordt aangehouden voor nadere akte van eiser.
Uitkomst: Vordering tot betaling van onregelmatigheidstoeslag deels toegewezen met aanpassing berekening en afwijzing wettelijke verhoging.