ECLI:NL:RBZWB:2017:5941

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 september 2017
Publicatiedatum
19 september 2017
Zaaknummer
BRE - 16 _ 3350
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 27h Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling inspecteur tot vergoeding proceskosten beroepsprocedure en prejudiciële procedure

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2014 een conserverende aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd door de inspecteur. Tijdens de beroepsfase kwam de inspecteur geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende tegemoet, waarna belanghebbende het beroep introk en verzocht om veroordeling van de inspecteur in de proceskosten.

De rechtbank stelde vast dat partijen overeenkwamen dat proceskostenvergoeding zou worden toegekend voor de beroepsprocedure, waarbij de zaak een waarde 1 kreeg toegekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand werden vastgesteld op € 990, gebaseerd op twee punten van elk € 495.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de inspecteur ook veroordeeld moest worden in de kosten van de prejudiciële procedure bij de Hoge Raad, omdat deze procedure pas later aan de orde kwam. De kosten van deze procedure werden eveneens vastgesteld op € 990, gebaseerd op twee punten.

De rechtbank veroordeelde de inspecteur in totaal tot vergoeding van € 1.980 aan proceskosten. De uitspraak werd gedaan op 19 september 2017 en is openbaar uitgesproken in Breda.

Uitkomst: De inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van € 1.980 aan proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 16/3350
uitspraak van 19 september 2017
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (Frankrijk),
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
BetreftHet verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:75a van de Awb om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten.

1.Beslissing

De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.980.

2.Gronden

2.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 een conserverende aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. In de beroepsfase is de inspecteur aan belanghebbende tegemoetgekomen. Belanghebbende heeft vervolgens het beroep ingetrokken en daarbij verzocht de inspecteur te veroordelen in de proceskosten.
2.2.
Partijen hebben ter zitting van 20 december 2016 verklaard dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorts hebben zij bevestigd dat in de bezwaarfase niet om dergelijke vergoeding is verzocht. Partijen hebben verklaard ermee in te stemmen dat de proceskostenvergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wordt toegekend voor enkel de beroepsprocedure, waarbij aan het gewicht van de zaak een waarde 1 zal worden toegekend.
2.3.
De rechtbank heeft dienovereenkomstig geoordeeld en de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495).
2.4.
Naar de rechtbank begrijpt, hebben partijen bij het maken van de in 2.2 vermelde afspraak enkel de bezwaar- en beroepsfase voor ogen gehad en niet mede de prejudiciële procedure bij de Hoge Raad. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat een dergelijke procedure pas later als één van de mogelijke uitkomsten aan de orde is gesteld. De inspecteur wordt daarom ook veroordeeld in de kosten van de prejudiciële procedure bij de Hoge Raad. Blijkens de beslissing van 14 juli 2017 waarin de Hoge Raad de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen met betrekking tot deze zaak heeft beantwoord, heeft belanghebbende na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gereageerd op de schriftelijke opmerkingen van de Staatssecretaris en op de schriftelijke opmerkingen van anderen dan partijen, te weten de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs en het Register Belastingadviseurs. De rechtbank heeft de kosten die belanghebbende in verband met de prejudiciële procedure bij de Hoge Raad redelijkerwijs heeft moeten maken op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 990 (2 punten voor het indienen van schriftelijke opmerkingen met een waarde per punt van € 495).
Deze uitspraak is gedaan op 19 september 2017 door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 8:55, derde lid, van de Awb).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.