Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Griffierecht en proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een vrijgevestigd medisch specialist, ontving een vergoeding van het ziekenhuis in verband met de beëindiging van zijn werkzaamheden en overeenkomsten binnen zijn onderneming. De inspecteur rekende deze vergoeding terecht tot de winst uit onderneming en corrigeerde de aangifte dienovereenkomstig.
Belanghebbende stelde dat de vergoeding niet tot de winst uit onderneming behoorde en dat premies voor lijfrenten aftrekbaar waren, maar de rechtbank verwierp deze standpunten. De vergoeding betrof geen onbelaste schadevergoeding maar een vergoeding voor beëindiging van overeenkomsten die in het kader van de onderneming waren gesloten.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep met minder dan zes maanden was overschreden, waardoor belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding van €500, verdeeld over de inspecteur en de Minister van Veiligheid en Justitie.
De rechtbank wees het beroep af, veroordeelde de inspecteur en de Minister tot vergoeding van immateriële schade en gelastte de vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan op 10 augustus 2017 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding wordt als winst uit onderneming belast.