Belanghebbende, een in Nederland gevestigde reisorganisatie, verzorgt buitenlandse campingvakanties voor particulieren en Nederlandse reisbureaus. De inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2009 op, die belanghebbende betwistte. Het geschil betrof de vraag of de plaats van de dienstverlening in Nederland lag en of de diensten aan Nederlandse btw-heffing onderworpen waren.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende als exploitant van een reisbureau diensten verleent die bestaan uit het verstrekken van logies op buitenlandse campings. Volgens het reisbureaubesluit, met name punt 11, is in dergelijke gevallen geen Nederlandse omzetbelasting verschuldigd, ook als belanghebbende gebruikmaakt van eigen tenten en stacaravans. De rechtbank verwierp het standpunt van de inspecteur dat het reisbureaubesluit niet van toepassing zou zijn omdat geen all-inclusive reizen werden aangeboden.
De rechtbank oordeelde dat ook als de plaats van de dienstverlening in Nederland zou liggen, op basis van het reisbureaubesluit geen Nederlandse btw-heffing verschuldigd is. Daarom werd het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 33.570. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende, zij het niet integraal, met een wegingsfactor vanwege de complexiteit van de zaak.