Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De inspecteur legde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) op voor de jaren 2008 en 2009 aan belanghebbende, tezamen met vergrijpboeten wegens opzet. Belanghebbende voerde bezwaar en beroep in tegen deze aanslagen en boeten.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een nieuw feit in de zin van artikel 16 AWR Pro, namelijk verklaringen van belanghebbende tijdens een politieverhoor en bevindingen uit een boekenonderzoek. Voor 2008 leidde dit tot omkering van de bewijslast omdat belanghebbende wist of redelijkerwijs moest beseffen dat hij belasting verschuldigd was over een hoger inkomen dan aangegeven. De inkomenscorrectie werd als redelijke schatting beoordeeld. Voor 2009 was geen omkering van de bewijslast van toepassing, maar de inspecteur slaagde erin aannemelijk te maken dat de navorderingsaanslag terecht was vastgesteld.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende bewust onjuiste aangiften had gedaan en informatie had onthouden, waardoor vergrijpboeten van 50% passend waren. Een verzoek om interne compensatie werd toegewezen, maar leidde niet tot verlaging van de boeten. De berekening van de heffingsrente werd niet betwist en bleef ongewijzigd. De stelling van onbehoorlijk bestuur werd niet onderbouwd. De beroepen werden ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen en vergrijpboeten worden ongegrond verklaard.