Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, eigenaar van 26 huurwoningen, maakte bezwaar tegen de verhuurderheffing 2014 omdat zij meende niet belastingplichtig te zijn. Zij stelde dat de heffing alleen voor woningcorporaties geldt en dat haar woningen niet als sociale huurwoningen kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank stelde vast dat de wet geen uitzondering maakt voor particuliere verhuurders en dat de definitie van huurwoning gebaseerd is op de huurtoeslaggrens, waaraan de woningen van belanghebbende voldoen. Het beroep op schending van het eigendomsrecht (artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM) werd verworpen omdat de heffing een legitiem algemeen belang dient en niet leidt tot een individuele en buitensporige last.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel (artikel 26 IVBPR Pro) faalde. De rechtbank oordeelde dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij fiscale regelgeving en dat het onderscheid tussen verhuurders binnen en buiten de huurtoeslaggrens objectief en redelijk is gerechtvaardigd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 december 2016.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de verhuurderheffing 2014 wordt ongegrond verklaard.