Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende had een pandrecht op de materiële activa van [C BV], welke zich op de bodem van deze vennootschap bevonden. Bij de verkoop van deze activa aan [B BV] heeft belanghebbende nagelaten de vereiste mededeling aan de ontvanger van de Belastingdienst te doen, zoals voorgeschreven in artikel 22bis van de Invorderingswet 1990.
De rechtbank stelt vast dat de verkoop niet plaatsvond in de normale bedrijfsuitoefening van [C BV], maar in het kader van het stopzetten van de onderneming en het voorziene faillissement. De executiewaarde van de bodemzaken is door de ontvanger vastgesteld op €35.000, de prijs die feitelijk bij de overdracht is gehanteerd, en deze waarde wordt ondersteund door eerdere taxaties en de omvang van de verpande activa.
Belanghebbende heeft het beroep ingesteld tegen deze beschikking, stellende dat zij geen pandrecht had, de activa zich niet op de bodem bevonden en dat de executiewaarde te hoog is vastgesteld. De rechtbank wijst deze stellingen af en verklaart het beroep ongegrond.
De procedure kende meerdere zittingen en uitstelmomenten, waarbij belanghebbende niet reageerde op verzoeken om nadere informatie of een nieuwe mondelinge behandeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 december 2016.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de beschikking van de ontvanger gehandhaafd.