Eiser ontving een uitwonendenbeurs maar werd door DUO onderzocht omdat hij mogelijk niet op zijn BRP-adres woonde. Na een huisbezoek concludeerde DUO dat eiser niet op het BRP-adres verbleef en legde een bestuurlijke boete op over de periode vanaf januari 2012.
Eiser voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat hij pas vanaf augustus 2014 daadwerkelijk op een ander adres woonde. De rechtbank oordeelde dat het wettelijk vermoeden van niet-wonen slechts kan doorwerken over een periode van maximaal twaalf maanden voorafgaand aan het huisbezoek, conform jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
Omdat DUO geen aanvullend bewijs leverde voor de periode langer dan twaalf maanden, werd het beroep gegrond verklaard en de boete beperkt tot de periode van augustus 2014 tot en met januari 2015. De rechtbank legde een boete van €601,84 op en veroordeelde DUO tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.