Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een financiële houdstermaatschappij binnen een fiscale eenheid, betwist de door haar afgedragen crisisheffing 2014 van €194.221, gebaseerd op artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964. De rechtbank onderzoekt of deze heffing in strijd is met het wettelijke systeem, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en andere internationale verdragen.
De Hoge Raad heeft in januari 2016 geoordeeld dat de crisisheffing een wettelijke grondslag heeft en niet in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom, noch discriminerend is. Belanghebbendes bezwaren op deze punten worden verworpen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat belanghebbende onvoldoende feiten heeft aangevoerd om te bewijzen dat de crisisheffing een individuele en buitensporige last vormt.
Gezien de financiële gegevens van belanghebbende en de fiscale eenheid concludeert de rechtbank dat het beroep ongegrond is. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 augustus 2016.
Uitkomst: Het beroep tegen de crisisheffing 2014 wordt ongegrond verklaard.