ECLI:NL:RBZWB:2016:4846

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 juli 2016
Publicatiedatum
2 augustus 2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6747
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtAfdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtArt. 27d Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kostenvergoeding bezwaarfase wegens ontbreken beroepsmatige rechtsbijstand

Belanghebbende verzocht om vergoeding van kosten voor de bezwaarfase, waarbij de kosten in rekening werden gebracht door haar partner, die tevens haar gemachtigde is. De inspecteur wees dit verzoek af omdat niet was aangetoond dat het verlenen van rechtsbijstand tot de beroepsactiviteiten van de gemachtigde behoort en dat de bijstand meer dan incidenteel werd verleend.

De rechtbank bevestigde deze afwijzing. Belanghebbende stelde dat haar gemachtigde belastingadvies gaf naast onderwijsactiviteiten, maar de inspecteur betwistte dit op grond van de VAR-verklaring en internetprofiel. Jurisprudentie vereist dat rechtsbijstand een duurzaam en op inkomen gerichte taak is, niet slechts incidenteel.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van beroepsmatige rechtsbijstand. Omdat geen andere kosten waren gesteld, was de afwijzing van de kostenvergoeding terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 15/6747
uitspraak van 19 juli 2016
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden beslissing
De beslissing van de inspecteur van 6 november 2015 op belanghebbendes verzoek tot vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar (kenmerk [kenmerk] ).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde, [gemachtigde] , en namens de inspecteur, [gemachtigden] .

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 27 augustus 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tweede kwartaal van 2015 naar een geschat bedrag. Daarbij is bij beschikking een verzuimboete vastgesteld van € 65 wegens het niet (tijdig) doen van aangifte en een verzuimboete van € 150 wegens het niet (tijdig) betalen.
2.2.
Bij verminderingsbeschikking van 6 oktober 2015 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag omzetbelasting verminderd tot nihil, de verzuimboete wegens het niet (tijdig) betalen vernietigd en de verzuimboete wegens het niet (tijdig) doen van aangifte gehandhaafd. Bij de uitspraak op bezwaar van 30 oktober 2015 heeft de inspecteur ook de verzuimboete wegens het niet (tijdig) doen van aangifte vernietigd.
2.3.
Belanghebbende heeft op 13 oktober 2015 verzocht om toekenning van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het betreft kosten in rekening gebracht door haar gemachtigde, die haar partner is en waarmee zij een gezamenlijke huishouding voert. Op 6 november 2015 heeft de inspecteur belanghebbendes verzoek om kostenvergoeding afgewezen. Deze beslissing dient op één lijn te worden gesteld met een beslissing op bezwaar waartegen beroep kan worden ingesteld (zie Hoge Raad 14 november 2014, nr. 14/00760, ECLI:NL:HR:2014:3191). Tegen deze beslissing richt zich belanghebbendes beroep.
2.4.
Met haar brief van 18 november 2015 heeft belanghebbende tijdig beroep ingesteld. De rechtbank merkt daarbij op dat belanghebbendes beroepschrift van 13 oktober 2015 in dit verband niet kan worden geacht (mede) te zijn gericht tegen de onderhavige beslissing. Ten tijde van dit schrijven van belanghebbende was de onderhavige beslissing immers nog niet tot stand gekomen en kon zij redelijkerwijs ook niet menen dat dit wel het geval was.
2.5.
In beroep is enkel nog in geschil of de inspecteur terecht geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend.
2.6.
Belanghebbendes gemachtigde heeft ter zitting aangevoerd dat hij velerlei studies heeft gevolgd en dat hij met zijn onderneming, genaamd [onderneming] , onder meer belastingadviezen geeft naast zijn werkzaamheden in het onderwijs; hij heeft daarbij verwezen naar de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. De inspecteur heeft dat gemotiveerd betwist onder verwijzing naar de VAR-verklaring en het internetprofiel van de gemachtigde.
2.7.
Er is sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht, indien het verlenen van rechtsbijstand een vast bestanddeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening (ABRvS 8 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV3879, CRvB 14 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN9334). Daarvoor is voldoende dat niet slechts incidenteel rechtshulp wordt verleend en voor die rechtshulp enigerlei vergoeding in rekening wordt gebracht (CRvB 28 februari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV3971). Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, met hetgeen zij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat het verlenen van rechtsbijstand behoort tot de beroepsactiviteiten van de gemachtigde en dat sprake is van meer dan een incidenteel verleende bijstand. Nu geen andere kosten zijn gesteld, zijn in bezwaar terecht geen kosten vergoed.
2.8.
Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.
2.9.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 19 juli 2016 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.