Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, huurder van een woning, bezit een garagebox die zij in haar aangifte inkomstenbelasting 2014 niet als bezit in box 3 had opgenomen. De inspecteur legde de aanslag op zonder de garagebox mee te rekenen, waarna belanghebbende bezwaar maakte. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde een navorderingsaanslag op om de garagebox alsnog in box 3 te belasten.
De rechtbank stelt vast dat de garagebox niet als eigen woning kan worden aangemerkt omdat belanghebbende geen eigenaar is van de hoofdverblijfplaats. De garagebox valt daarom niet onder de eigenwoningregeling (box 1), maar onder het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Het verschil in inkomen leidt tot een nihilaanslag, maar heeft wel gevolgen voor het toetsingsinkomen.
Belanghebbende voerde aan dat zij onredelijk wordt benadeeld ten opzichte van eigenwoningbezitters met een garagebox, maar de rechtbank benadrukt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het maken van fiscale onderscheidingen. Het oordeel van de wetgever wordt gerespecteerd zolang het niet van redelijke grond is ontbloot.
De rechtbank concludeert dat het onderscheid tussen eigenwoningbezitters en huurders met een garagebox binnen die beoordelingsvrijheid valt en niet strijdig is met hogere wetgeving of verdragen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de belastingheffing over de garagebox in box 3 wordt ongegrond verklaard.