ECLI:NL:RBZWB:2015:3133
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling sluiting bedrijfspand wegens handel in softdrugs volgens artikel 13b Opiumwet
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester van Tilburg tot sluiting van een bedrijfspand voor zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet wegens aantreffen van een handelshoeveelheid softdrugs.
De burgemeester baseerde zijn besluit op een bestuurlijke rapportage en processen-verbaal waaruit bleek dat in het pand ruim 9.870 gram softdrugs was aangetroffen, wat ruim boven de beleidsmatige grens van 500 gram ligt. Eiseressen voerden aan dat het bewijs onvoldoende was en dat de overtreding beëindigd was, maar de rechtbank oordeelde dat het karakter van de herstelsanctie ook het voorkomen van herhaling en het wegnemen van gevolgen beoogt.
De rechtbank stelde dat de burgemeester beleidsvrijheid heeft bij toepassing van artikel 13b en dat zijn beleid, dat onderscheid maakt tussen gedoogde coffeeshops en niet-gedoogde verkooppunten, niet kennelijk onredelijk is. De achterdeurproblematiek en het gedoogbeleid leiden niet tot een verplichting tot gedogen van de handelsvoorraad. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde en de sluiting werd niet aangemerkt als een strafsanctie maar als een bestuursrechtelijke herstelsanctie.
De rechtbank vond de termijn van zes maanden niet disproportioneel en oordeelde dat de aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende waren om van het beleid af te wijken. Ook het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM werd verworpen omdat een redelijk evenwicht bestaat tussen het algemeen belang en de nadelige gevolgen voor eiseressen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het besluit tot sluiting bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de sluiting van het pand wegens handel in softdrugs wordt ongegrond verklaard en het besluit tot sluiting voor zes maanden bevestigd.