Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft voor het jaar 2012 verzocht om toepassing van de ouderschapsverlofkorting, nadat zij ook in de jaren 2008 tot en met 2011 gebruik had gemaakt van de ouderschapsverlofregeling. De inspecteur weigerde de korting omdat er geen sprake was van een terugval in inkomen volgens de wettelijke terugvaleis, die bepaalt dat de korting niet meer mag bedragen dan het verschil tussen het belastbare loon van het voorafgaande kalenderjaar en dat van het kalenderjaar zelf.
De kern van het geschil betrof welk jaar als vergelijkingsjaar geldt bij meer dan twee achtereenvolgende jaren ouderschapsverlof. De inspecteur stelde dat het jongste jaar zonder ouderschapsverlof (2007) het toetsjaar is, terwijl belanghebbende meende dat 2009 als toetsjaar moet gelden. De rechtbank oordeelde dat noch de wetstekst noch de toelichting duidelijkheid bieden over het vergelijkingsjaar bij langdurig ouderschapsverlof.
De rechtbank overwoog dat de uitleg van belanghebbende in strijd is met de tekst van de Uitvoeringsregeling en de toelichting. Ook de inspecteur’s uitleg dat het jongste jaar zonder ouderschapsverlof geldt, leidt tot afwijzing van de korting. De rechtbank concludeerde dat de ouderschapsverlofkorting voor 2012 niet toegekend kan worden en verklaarde het beroep ongegrond.
Verder oordeelde de rechtbank dat het niet horen van belanghebbende in de bezwaarfase niet tot nadeel heeft geleid en dat een eventuele schending van het motiveringsbeginsel niet tot vernietiging leidt omdat de rechtbank zelf de gronden heeft opgenomen. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ouderschapsverlofkorting voor 2012 wordt geweigerd.