Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een Duitse vennootschap, verkreeg in 2013 een voortdurend recht van erfpacht en een zelfstandig recht van opstal op een kantoorgebouw en parkeergaragecomplex. De levering vond plaats onder toepassing van artikel 37d van de Wet op de omzetbelasting 1968, waardoor belanghebbende fiscaal in de plaats treedt van de verkoper. Hierdoor is belanghebbende gebonden aan de fiscale behandeling die de verkoper hanteerde, waaronder de benadering per verdieping.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de overdrachtsbelasting die zij had voldaan, met name over de heffing op niet of niet binnen twee jaar in gebruik genomen units op de derde en vijfde verdieping en over de heffing op de gekapitaliseerde waarde van de canon en retributie. Zij stelde dat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel a, Wet BRV van toepassing zou moeten zijn op deze units en dat de canon niet tot de heffingsgrondslag mocht worden gerekend.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet eenzijdig kon afwijken van de fiscale positie van de verkoper vanwege de toepassing van artikel 37d Wet OB. De etages moeten als geheel worden beschouwd en niet als afzonderlijke units. Verder is de gekapitaliseerde waarde van de canon en retributie terecht tot de heffingsgrondslag gerekend. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de opgelegde overdrachtsbelasting wordt ongegrond verklaard.