Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, bestuurder en aandeelhouder van meerdere failliete vennootschappen, betaalde een bedrag van €23.500 aan de curator ter aanwending voor crediteuren, met volledige en finale kwijting. Hij bracht dit bedrag in aftrek als negatief resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen bij zijn aangifte inkomstenbelasting 2009.
De inspecteur accepteerde deze aftrek niet en legde een aanslag op met een hoger belastbaar inkomen. De rechtbank oordeelt dat de betaling diende om persoonlijke aansprakelijkheid te voorkomen en daarom privé-kosten betreft die niet aftrekbaar zijn. Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.
Belanghebbende voerde nog een beroep op het vertrouwensbeginsel, verwijzend naar een eerdere situatie in 2007 waarin een soortgelijke aftrek werd geaccepteerd, maar de rechtbank verwierp dit omdat de omstandigheden en kosten verschillen en er geen uitdrukkelijk standpunt van de inspecteur was.
Daarnaast faalde het verzoek om verlies uit aanmerkelijk belang te erkennen wegens gebrek aan onderbouwing en het feit dat de holding in 2010 werd ontbonden.
De rechtbank ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.