Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende B.V. had in 2009 onroerende zaken verkocht aan haar directeur-grootaandeelhouder en daarbij een herinvesteringsreserve (hir) gevormd. Zij had vervolgens een obligatoire koopovereenkomst gesloten voor een vervangende onroerende zaak, maar de feitelijke levering vond pas in 2010 plaats. De inspecteur stelde dat de hir bij de belangenwijziging in 2010 aan de winst moest worden toegevoegd, terwijl belanghebbende betoogde dat de hir al in 2009 was afgeboekt.
De rechtbank oordeelde dat afboeking van de hir alleen mogelijk is vanaf het moment waarop de economische eigendom van het nieuwe bedrijfsmiddel is verkregen. Omdat de risico-overgang en juridische levering pas in 2010 plaatsvonden, was er in 2009 nog geen sprake van aanschaffingskosten van de nieuwe onroerende zaak. Hierdoor bestond de hir nog ten tijde van de belangenwijziging in 2010 en moest deze worden toegevoegd aan de winst.
Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 12a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bij belangenwijzigingen en verduidelijkt het tijdstip van verkrijging van economische eigendom voor afboeking van de herinvesteringsreserve.
Uitkomst: De herinvesteringsreserve moet bij de belangenwijziging in 2010 aan de winst worden toegevoegd; het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.