Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, eigenaar van een monumentenpand verhuurd aan een huurder, maakte kosten in verband met een kortgedingprocedure en een uitkoopsom voor de beëindiging van de huurovereenkomst. De vraag was of deze kosten als onderhoudskosten in de zin van artikel 6.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001 konden worden aangemerkt.
De rechtbank stelt vast dat proceskosten en advocaatkosten die verband houden met een procedure over onderhoud niet zelf onderhoudskosten zijn. Het causaal verband tussen deze proceskosten en het daadwerkelijke onderhoud is te gering. Ook de uitkoopsom aan de huurder wordt niet als onderhoudskosten beschouwd, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat volledige ontruiming noodzakelijk was voor onderhoudswerkzaamheden. De overeenkomst vermeldde dat de vergoeding diende ter bestrijding van verhuis- en inrichtingskosten en toekomstig huurverschil.
De rechtbank verwijst naar de wettelijke definitie van onderhoudskosten en eerdere jurisprudentie, en concludeert dat de bestreden kosten niet onder deze definitie vallen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat proceskosten en uitkoopsom geen onderhoudskosten zijn volgens artikel 6.31 Wet IB 2001.