ECLI:NL:RBZUT:2010:BO0160
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorshands aannemelijke samenwoning en gemeenschappelijke huishouding bij partneralimentatie
De man verzoekt de rechtbank om te verklaren dat zijn verplichting tot partneralimentatie is geëindigd omdat de vrouw samenwoont met een ander als waren zij gehuwd, zoals bedoeld in artikel 1:160 BW Pro. Hij baseert dit op feiten zoals gezamenlijke eigendom van een appartement, gezamenlijke schuldbekentenissen, wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding. De vrouw erkent een duurzame affectieve relatie met haar nieuwe partner, maar betwist samenwoning en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.
De rechtbank stelt vast dat tussen de vrouw en haar partner een duurzame affectieve relatie bestaat met wederzijdse verzorging, ook financieel. Voorts is voorshands aannemelijk dat zij samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren, mede gezien het gezamenlijke eigendom, bezoek, en het verspreiden van een visitekaartje met hun gezamenlijke adres. De vrouw wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, en de behandeling wordt aangehouden tot een pro forma zitting.
De rechtbank benadrukt dat artikel 1:160 BW Pro restrictief wordt uitgelegd omdat het beëindigen van alimentatie een definitief gevolg heeft. De vrouw kan tegenbewijs leveren door stukken of getuigen. De zitting voor het verhoor van getuigen wordt gepland, waarna verdere beslissing volgt.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en laat de vrouw toe tegenbewijs te leveren omtrent samenwoning en gemeenschappelijke huishouding.